Herinneringen aan de boerenboomgaard
En aan het 'bogaorden' natuurlijk, vlug even door de heg of onder het prikkeldraad door glippen en jezelf deelgenoot maken van al die rijkdommen. Of aan het helpen bij het binnenhalen van heel die weelde. Het was trouwens niet bij de boerderijen alleen. Ieder die over de ruimte beschikte, had een boom met winterperen. In het Land van Hulst noemden ze die meestal (en ook daarbuiten?) 'n'n braokerbôôm, ne pjèreljèr mee braokers d'rao''. De officiële naam is Saint Remy, een harde, roodkokende peer die tot mei van het jaar daarop bewaard kan worden. Mits geplukt natuurlijk, geen 'raopelingen' (valfruit). Daarom moesten de vruchten van de bomen zijn eer de echte herfststormen veel schade konden aanrichten. Ook een uitstekende winterpeer, kleiner dan de Saint Remy en veel harder, was een ras dat terecht de naam steenpeer gekregen had. De echte naam ervan hebben we nooit kunnen achterhalen. Vermoedelijk was het de kleipeer of de winterjan. Tot maart was (is?) die houdbaar. Aanvankelijk, net als de winterappels, uitgespreid op oude kranten op de zolder. Later bewaard in stapelbare aardappelkistjes, luchtig, gemaakt van latjes. Die winterappels waren meestal goudrenetten. Welke? Schone van Boskoop? Er zijn veel variëteiten en het was zowat het enige ras dat door iedereen goudrenet genoemd werd. Veelal hadden de rassen streeknamen als strepelingen, kattenkoppen. Zonder zo'n appel in de hand is het niet of nauwelijks vast te stellen wat de echte naam was. Dikwijls was het nog erger, dan werd er zelfs geen streeknaam gebruikt, maar een die van boerderij tot boerderij verschilde. Zoals 'zure appels van achter de schuur' of de 'zoet' appelkes van aon't oenderskot'. Daar kwam nog bij dat veel rassen een regionale verspreiding kenden. Dat was voor een deel afhankelijk van de grondsoort. Op zand of veen kun je niet altijd hetzelfde telen als op klei, maar ook was de uitwisseling veel minder. Rassen die in Groningen gemeengoed waren, trof je in Zeeland nagenoeg nooit aan. Over zoete appels gesproken: tal van rassen daarvan lenen zich uitstekend om te drogen. Geschild, het klokhuis eruit en dan op dunne ringen gesneden. Op kranten of een zeef op de bakoven als die nog warm was. In later tijden, toen de oven niet meer gestookt werd, nam de bakker ze wel mee om ze naderhand gedroogd weer af te leveren. Niet alleen zoete appels waren daar geschikt voor, ook zure. Zijn die trouwens nog niet altijd te koop, puur als gedroogde schijfjes of in stukjes in mengsels als tutti frutti of muesli? Ja, de herfst was natuurlijk ook de tijd van de noten, de wal- of okkernoten. Die ontbraken toch in geen enkele boomgaard en bij veel dijkhuisjes stond er heel vaak een, meestal net op het randje van de slootkant. Dikwijls vlak bij de achterdeur en dat was dan ook weer niet helemaal toevallig. Notenbomen hebben de naam insecten te weren, zij houden vliegen en muggen en dergelijke uit huis. Zelden zijn de bladeren van een notenboom aangetast door allerlei gedierte. Dat komt waarschijnlijk door zijn uitheemse oorsprong. De oude Grieken zijn met het cultiveren van deze soort begonnen, de Romeinen hebben ze naar onze streken gebracht.
Was het bij appels en peren zaak de herfststormen voor te zijn, bij noten zou je denken: wat geeft het of ze spontaan vallen, die kunnen wel tegen een stootje. En je kunt er honderd procent zeker van zijn dat ze zullen vallen. Toch moesten ze geknuppeld worden. Flinke knuppels of 'fassêêlen' in de boom gooien om de noten eraf te krijgen. Goed beschouwd een zinloze bezigheid, de natuur zorgt er immers zelf wel voor dat er noten geraapt kunnen worden. Waarom dan? En waarom bestaat de uitdrukking 'n'n notenbôôm en een vrommens moeten geknippeld ôôren?' Dat laatste schijnt wat in onbruik geraakt te zijn, zegt men, maar noten worden nog vaak geknuppeld. Waarom? Wij hebben er nooit een verklaring voor gehoord dat het een vorm van enig bijgeloof zou zijn. Een wat wetenschappelijkachtiger uitleg zou kunnen zijn, zegt men, dat door het knuppelen de boom beschadigd wordt. In het daarop volgende voorjaar zou dat, om de wonden te genezen, leiden tot een sterkere sapstroom en dat zou de vruchtzetting ten goede komen. Of het zo is? Stonden in de oude boomgaard, meestal vlak bij de sloot, niet altijd een of meer kweeperenstruiken? Gele, donzig behaarde forse vruchten en steenhard. Om als groente bij de aardappels te eten niet zo'n succes, maar de gelei ervan is glashelder als de tot moes gekookte vruchten door een doek gezeefd worden. Zelfs iemand die niet zo van zoet beleg houdt, kan er nauwelijks afblijven. Eind oktober, begin november is ook de oogsttijd van de mispels, mupsels in de volksmond. Zo mogelijk eerst een of twee keren de nachtvorst over de vruchten, dan plukken en ze laten 'rotten'. Er is ook een goede gelei van te maken, maar er gaat weinig boven zo uit het handje. Tenminste wat de producten uit de (oude) boerenboomgaard betreft. Dat rotten vroeg, ook als ze door de vorst geraakt waren, enige tijd. De natuur kon een handje geholpen worden door ze in een mouternist te mouteren. Een mouternist Het aanrijpen van mispels, maar ook van appels en, als ze niet een of twee nachtvorstjes meegemaakt hadden, de vrij wrange vruchten van de sleedoorn (plaatselijk zwart'n doorn genoemd), kon versneld worden door ze te mouteren. Dat gebeurde in een mouternist, een warm plekje in het hooi. In de hooitas een kuiltje maken en daar de vruchten in leggen. Of in een kist met hooi, dat is ook een manier. Dan gaat het zo'n beetje de kant op van de hooikist. Dat was een grote houten kist gevuld met hooi, papier of dekens, waarin pannen gezet werden om spijzen warm te houden of te laten garen. In een mouternist gebeurde hetzelfde al hadden de koude vruchten natuurlijk een wat langere tijd nodig dan warm voedsel. Het aanleggen van een mouternist is een wijdverbreid gebruik, maar op Zuid-Beveland spreekt men niet van mouteren maar van muken of meuken. 'Leit die prumen mè te meuken, ze bin nog nie riepe', aldus het Woordenboek der Zeeuwse Dialecten. |
|