De suatiesluis van Reigersbosch

De Tweede helft van de zestiende eeuw was voor de Nederlanden, zowel voor de Noordelijke als de Zuidelijke, een roerige tijd. Er speelden twee belangrijke zaken door elkaar: er was onrust op godsdienstig en op politiek gebied.

(Foto Wim Kooyman)

Het is te kort door de bocht om te zeggen dat het begin van de godsdienstige onvrede in 1517 lag, toen Maarten Luther zich openlijk tegen een aantal toe- en misstanden in de christelijke kerk verklaarde. Het broeide al langer, maar toch is die 31e oktober 1517 een keerpunt: wat onderhuids leefde kwam vanaf nu naar buiten. Politieke onrust was er omdat de Nederlanden onder het juk van Spanje vandaan wilden. Drie opmerkelijke momenten in de tweede helft van die eeuw geven een goed beeld van de ontwikkelingen. Op godsdienstig gebied is dat de Beeldenstorm die op 10 augustus 1566 in het Vlaamse (thans Franse) Steenvoorde begon. Als tweede de op 23 juli 1579 gesloten Unie van Utrecht, een bondgenootschap van een aantal Noord-Nederlandse gewesten om samen de strijd tegen Spanje te voeren. Als derde de ‘Verlatinghe’ of de afzwering van Filips II als staatshoofd door de Staten-Generaal op 26 juli 1581.

Het bondgenootschap van de Unie breidde zich uit, zo sloot Gent er zich op 4 februari 1579 bij aan en Antwerpen dat zelfde jaar op 29 juli. Daarmee waren beide steden ook afvalligen van Filips II geworden en ze gaven tegelijkertijd te kennen meer te voelen voor het protestantisme dan voor de rooms-katholieke visie van de landsheer. Dat viel uiteraard niet in goede aarde. Antwerpen, ‘de hoofdstad van Noord-Europa’, zoals ze toen genoemd werd, een protestants bolwerk!

Onverdraaglijk

Voor Alessandro Farnese, prins en hertog van Parma, en sedert 1578 landvoogd over de Nederlanden en zijn heer Filips II was dat een onverdraaglijke toestand. Antwerpen - naast andere steden - moest terug onder Spaans bewind komen. Op 6 juli 1584 vestigde Parma, zoals hij gewoonlijk genoemd wordt, zijn hoofdkwartier op het kasteel in Beverenbroeck, op de Singelberg. Het kasteel is er niet meer, de Singelberg wel. Kijkend vanaf de zuidelijke oprit naar de Liefkenshoektunnel naar de kerk van Vrasene, zie je, midden tussen de akkers, een ‘hoop grond’. Meer dan dat lijkt het niet, maar van dichtbij blijkt het toch meer te zijn, bijvoorbeeld dat de hoogte elf meter is. Een groot deel van het polderland richting doel en Antwerpen stond onder water. In 1583 hadden de soldaten van Willem van Oranje, de opstandelingenleider, de Scheldedijken aan de Vlaamse kant van Saeftinghe doorgestoken. Farnese liet forten opwerpen en een schipbrug over de Schelde bouwen om bevoorrading van de stad vanuit het noorden te beletten. Tussen het fort Sint-Jan bij Trompwal en het overstroomde gebied liet hij de Parmavaart graven, waardoor rechtstreekse scheepvaartverbindingen met Hulst en Gent gerealiseerd werden.

Het Beleg van Antwerpen duurde meer dan een jaar: pas op 17 augustus 1585 tekende burgemeester Filips Marnix van Sint Aldegonde de capitulatie. Dit feit wordt de definitieve scheiding tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden.

Zeeuws-Vlaanderen hoort dan, op niet veel meer dan een schans bij Terneuzen na, nog bij de Zuidelijke Nederlanden.

In 1584 deden Zeeuwse troepen in het huidige Zeeuws-Vlaanderen hetzelfde wat ze bij Saeftinghe gedaan hadden: de zeedijken doorsteken. Dit om een eventueel doorstoten van de troepen van Parma in noordelijke richting te verhinderen. Rond 10 mei 1584 waren de dijken ten westen van de Sax- of Hulsterhaven bij Campen en de dijken bij Othene en Buuxgate, ten westen van Axel aan de beurt. De inbraak bij Campen viel op zich nog wel mee, maar de najaarsstormen voltooiden het werk. Het Hellegat ontstond en spoedig vormden de overstroomde landen van Stoppeldijk en Aandijke, de gebieden ten zuiden van Axel en die van de Braakman één doorgaande verbinding.

Kwakkelend

Hulst, als havenstad kwakkelend omdat de Saxhaven - de huidige Oude Haven vanaf Campen - door verzanding nauwelijks nog bruikbaar was, kreeg weer een verbinding met de Honte. De Oude Vaart tussen de Buitenvest en het Groot-Eiland verbond het stadje met het Hellegat. Die verbinding was van belang voor de stad en ze bleef (zij het met hangen en wurgen door aanslibbing) bestaan tot 1789. Toen werd de Riet- en Wulfsdijkpolder bedijkt.

Ten gerieve van Hulst werd en bij Luntershoek ((de Hulsterse) Sassing) een sluis aangelegd, maar ook daar sloeg de verzanding toe en in 1821 werd ze afgedamd. Wel bleef het Hellegat diep het land indringen. Aan de westelijke kant waren de buurtschappen Watervliet, de Batterij, de Sluis, Zaamslagveer, Poonhaven en Kampersche Hoek ‘kustplaatsjes’.

Aan de oostkant waren dat Luntershoek, Stoppeldijkveer, de Sluis met de Drie Gezusters, ‘t Ruischende Gat, Schapershoek, ‘t Keizerrijk, Kamperhoek en Campen. Er waren zelfs twee veerverbindingen: een tussen Zaamslag- en Stoppeldijkveer en een tussen Poonhaven en Campen. In de later bedijkte polders van het Hellegat, de Koning Willem III-, de Van Lijnden- en de Hellegatpolder zijn geen buurtschappen ontstaan.

Een van de eerstvolgende bedijkingen na 1789 was die van de Catharinapolder. Die werd genoemd naar de dochter van de toenmalige rentmeester van de schorren, later de ontvanger-griffier van de polder W. Seydlitz uit Hulst.

Met de bedijking werd een begin gemaakt in november 1845, een stormvloed op 11 en 12 december deed echter een groot deel van het werk teniet, maar op 13 maart 1846 was de polder weer droog. Een polder moet zijn binnenwater kwijt zien te raken en in de regel gebeurt dat door een zeesluis, een suatiesluis, op het buitenwater, in dit geval dus op het Hellegat. De sluis had dan moeten liggen in de afsluitdijk die iets ten zuiden van Stoppeldijk- en Zaamslagveer ligt. Dat gebeurde echter niet. In eerste instantie wilde men sueren door de sluis die door de Riet- en Wulfsdijkpolder in 1787 was aangelegd bij Reigersbosch, een voormalig fort en de naam van een boerderij. Het water kon dan verder afgevoerd worden door het Zijkanaal van Axel naar Hulst.

De bedijkers gaven echter de voorkeur aan afvoer via de Oostelijke Rijkswaterleiding, die bij Terneuzen in de Westerschelde uitmondt. Dat gebeurde door een duiker bij de Pouckepoldersedijk, bij de buurtschap De Sluis.

Afgebroken

Dat hield echter in dat de sluis bij Reigersbosch nauwelijks nog een functie had. Tijdens de uitvoering van de ruilverkaveling Koewacht tussen 1966 en 1975 werd het front aan de zoete kant, de kant van de Riet- en Wulfdijkpolder, afgebroken.

Alleen het zoute front bestaat nog, maar omdat dat niet langs een openbare weg ligt en alleen via een akker te bereiken is, weten slechts weinigen van het bestaan van dit sluisrestant dat echter zeker bescherming en conservering verdient, en eventueel ontsluiting vanaf de weg.

Door George Sponselee

Etos Axel Aanmelden Ot & sien jeugdmode
Contact
Afdrukken