Een zeesluis uit 1777

Sluis in de Hellegatpolder.foto Wim Kooyman

De wordingsgeschiedenis van Zeeuws-Vlaanderen is een aaneenschakeling van winnen en verliezen, van prijsgeven en heroveren.

Dat geldt overigens niet alleen voor Zeeuws-Vlaanderen, maar dat is een ander paar mouwen. Wat er in een ver verleden allemaal is gebeurd, laten we buiten beschouwing en zelfs de eerste duizend jaar van onze jaartelling slaan we over, ook al is er in die periode ook sprake van winst en verlies. We bedoelen maar te zeggen dat het allerminst een rustige en stabiele periode is geweest.

In het begin van de tien eeuwen die volgden, werd er veel bedijkt, maar regelmatig ging er ook weer veel polderland verloren. Het jaar 1375 is zo'n beetje de trendsetter. Ten oosten van Biervliet begon de Braakman zich uit te breiden zowel naar het westen, als naar het oosten en het zuiden. Al het land rond Biervliet werd weggeslagen. Het stadje kon zich, omdat het op een iets hogere zandrug ligt, met moeite op een eiland handhaven. Assenede, nu toch redelijk ver landinwaarts en Boekhoute hadden vlakbij het dorp hun haventjes.

Heel het gebeuren was vooral te wijten aan natuurgeweld, maar wel geholpen door menselijk toedoen. Niet met opzet evenwel. Landinwaarts waren de in een vroegere periode afgezette veenlagen afgegraven om de turf te gebruiken als brandstof of om er zout uit te winnen. Het valt te begrijpen dat dergelijke laaggelegen gebieden gemakkelijk vollopen als de 'zee' eenmaal een gaatje heeft gevonden om binnen te dringen.

In het begin van de vijftiende eeuw teisterden drie zware stormvloeden onze streken. De eerste was op 19 november 1404, de tweede op 18 of 19 november 1421 en de derde op 18 november 1424. Bij geen van de drie bleven het huidige Zeeuws-Vlaanderen en het Vlaamse achterland gespaard, zij het de ene keer meer dan de andere. Omdat ze alle drie op of rond de feestdag van de heilige Elisabeth van Hongarije of Th�ringen vallen, staan ze bekend als de Sint-Elisabethsvloeden.

Door overstromingen in 1508, 1509 en 1511 moest (Oud-)Hontenisse worden prijsgegeven. Het ligt sedertdien in de Westerschelde voor de Kruispolder. In 1570 krijgt de heerlijkheid Saeftinghe zware klappen en in 1584-1586 komt het tegenwoordige Oost-Zeeuws-Vlaanderen voor meer dan de helft met de zee gemeen te liggen. Dit keer was het mensenwerk: Zeeuwse en Hollandse troepen die zich na de verovering van Antwerpen door de Spanjaarden moesten terugtrekken, dekten hun aftocht door het land achter zich onder water te zetten. En misschien deden ze ook maar enkel en alleen om de vijand schade toe te brengen.

Maar laten we maar naar wat recenter tijden gaan, alhoewel: wat is recent?

Laat ons een plek zoeken waar nog sporen van de strijd te zien zijn. Het tussen 1584 en 1586 verloren gegane gebied ten noorden van Axel werd polder na polder teruggewonnen. Zo bijvoorbeeld in 1742 de Margarethapolder tussen de buurtschappen De Griete en Othene. De greep was echter te groot geweest en de zeedijk lag op 'de kwaoie kant': aan de kant van de westenwinden.

Bovendien verlegde de stroomdraad in de Westerschelde zich in de richting van de dijk. In 1775 ontstond er zware schade. Om erger te voorkomen werd een inlaagdijk gelegd: een waker een eindje van de eerste waterkering vandaan. De inlaag kwam in 1800 onder water te staan en in 1802 moest ze worden prijsgegeven. De inlaagdijk werd de nieuwe zeedijk. Voor de zekerheid werd halverwege de polder een nieuwe inlaagdijk gelegd tussen 't Schulpen'oekje en De Val. Ofschoon die grotendeels is afgegraven is langs de Verkorting (kan een naam sprekender zijn?) het trac� nog goed te herkennen.

In 1777 kregen de ambachtsheren en -vrouwen van Zaamslag octrooi om iets meer naar het oosten een schorrengebied ten noorden van de Groote Huijssenspolder te bedijken. De afwatering van de nieuwe polder zou geschieden door een zeesluis aan de oostelijke kant. Daar lag het nog open Hellegat. Ze waren vast erg zeker van hun zaak, want ze lieten al direct een sluitsteen voor de sluis maken met het jaartal 1777 erop. De bedijking kwam gereed in 1779 en de polder kreeg de naam Eendragt. Die steen zit aan de toenmalige landzijde. Aan de andere kant geeft een streep op de sluitsteen aan dat dat punt op 2,35 meter boven NAP ligt.

Als gevolg van een stormvloed in de nacht van 14 op 15 januari 1808 overstroomde de polder in zijn geheel, en bij het herstel van de dijk in hetzelfde jaar moest enig land worden prijsgegeven. Dat is later, in 1926, opgenomen in de toen bedijkte Hellegatpolder. Omdat de stroomgeul in het Hellegat erg dicht bij de dijk lag, nam men het zekere voor het onzekere en in 1813 werd er een inlaagdijk gelegd. Daardoor ontstonden ogenschijnlijk twee polders: de Grote en de Kleine Eendragt. Ze zijn immers gescheiden door een dijk. Een dijk die nu een deel is van de Kampersedijk, maar in de volksmond bekend stond (en staat?) als de Franse dijk. Is hier een Franse aannemer aan het werk geweest of is het gebeurd door Franse militairen? Krijgsgevangenen misschien, die na de verloren slag bij Waterloo aan het werk gezet werden?

De plaats waar ze de grond ervoor haalden is nog altijd herkenbaar als en karrenveldje tegen de scheidingsdijk met de Hellegatpolder, de vroegere zeedijk dus.

Gall Axel Aanmelden Etos Axel
Contact
Afdrukken