De bewogen geschiedenis van het Zijkanaal naar HulDe oudste stadjes in Zeeuws-Vlaanderen zijn ontstaan op zandige opduikingen in het landschap waar een waterloop passeerde.Die zandige opduikingen lagen daar niet zomaar toevallig. Ze maakten deel uit van een stelsel van lage ruggen, die naar het zuidoosten toe in hoogte opliepen. We zien dat ook nu nog in het landschap. Van de zandrug waarop Axel indertijd werd gesticht, zien we aan de oppervlakte niets meer terug. Die van Hulst is nog steeds markant aanwezig westelijk van de Linie tussen Hulst en Zandberg. Meer noordelijk duikt deze rug onder de klei en loopt onder Graauw en Het Verdronken Land van Saeftinghe door om tegen de vaargeul weer tevoorschijn te komen. Let wel, dat tevoorschijn komen gebeurt maar een paar keer per maand bij laagwater springtij. In de buurt lag indertijd ook een stadje, Saeftinghe, maar dat werd in 1334 bij een stormvloed weggevaagd. Een aanmerkelijk hogere zandrug vinden we terug bij Clinge, Sint-Jansteen en Heikant met uitlopers richting Koewacht-Roode Sluis-Overslag en Koewacht-Nieuwe Molen- Oude Molen-Hazelarenhoek-Zuiddorpe-Oudenpolder. In de buurt van Driehoefijzers niet ver van waar de Boschkreek de zandrug doorbreekt, ligt zelfs een stukje zandrug dat niet is aangetast door wegenaanleg, huizenbouw en landbouwactiviteiten. In de jaren dertig van de vorige eeuw is hierop een dennenbosje aangeplant om het te conserveren. Hier kunnen we zien dat deze zandruggen in feite niets anders zijn dan afgevlakte duinenrijen uit een ver verleden. Hulst had al vroeg een verbinding met de buitenwereld via de Saxhaven of Saxvliet. In die tijd, we spreken dan over een 900 jaar terug, zag de streek er heel anders uit dan nu. In het zuiden lag een woest zandlandschap met dichte bossen, de wilde landen. De lagere zandruggen naar het noorden toe waren overdekt met veenmoerassen en klei van vroegere wadafzettingen. Een groot deel van Zeeland bestond destijds uit een schorrenlandschap tot eilanden versneden door talloze geulen. Grote delen van die schorren waren bedijkt. We kunnen ons die Saxvliet voorstellen als een riviertje dat zijn oorsprong vond in de hogere zandgronden en die stroomafwaarts van Hulst overging in een schorrengeul. Op grote schaal zien we dit nu nog in de Schelde. Deze vindt zijn oorsprong in een bron in het noorden van Frankrijk en mondt via een estuarium (met getij) in de Noordzee uit. Die Saxhaven was een bochtig en nauw vaarwater en onderhevig aan verzanding en opslibbing. De Hulsterse haven, de economische levensader in een tijd van nauwelijks begaanbare wegen, was daardoor een zorgenkind voor de opeenvolgende stadsbesturen. Op een gegeven moment was de geul zo hoog opgeslibd dat hij nauwelijks bevaarbaar was. We kunnen dat heel mooi zien als we over de Oude Zoutdijk lopen richting Rustwat. De hoge rug aan de linkerkant is de oude Saxhaven. Een ramp bracht de oplossing. Toen in 1585 en 1586 op enkele plaatsen de dijken werden doorgestoken om een waterlinie te creëren, vonden twee doorbraakgeulen een weg tot bij Hulst: het Hellegat vanuit het noordwesten en het Spiekerboor vanuit het noordoosten. Ook dit was niet van lange duur want na verloop van tijd werden polders bedijkt en kwam de vaarweg weer in het gedrang. Met de bedijking van de Riet- en Wulfsdijkpolder in 1789 was het ver afgelopen met de vaarweg. Bij Luntershoek bouwde men een schutsluis, het Hulstersas. Vandaar kon men over de bestaande kreken van het Groot Eiland en de Oude Vaart tot bij Hulst komen. Dat gebeurde langs een trekpad met paarden waarvan tot in de jaren zeventig delen te bewandelen waren. Veel mocht het niet baten en in 1821 werd de sluis voor alle verkeer afgesloten. Na de hereniging van Zuid- en NoordNederland in 1815 werd gewerkt aan een kanaal tussen Gent en Terneuzen. Ook Axel en Hulst zagen hierin mogelijkheden om opnieuw een goede scheepvaartverbinding te krijgen en wel via een zijtak van dat kanaal. Net als Hulst was ook Axel haar directe verbinding in 1789 verloren en moest het doen met een schutsluis bij de Axelse Sassing en vandaar door de Axelse kreek. Tot de Derde Verkorting zou het trekpad langs de noordzijde komen en daarna langs de zuidzijde van het kanaal. We vinden daar nu asfaltwegen. Men was gevorderd tot voorbij de Hoge Weg (met de Platte Brug) en de verbinding met de kreken van het Groot Eiland was gemaakt, toen de Belgische opstand van 1830 roet in het eten gooide. Alle bruggen werden weggenomen en het kanaal werd een verdedigingslinie. Ondanks vele pogingen daartoe - bij voorkeur om de vier jaar als er verkiezingen voor kamers en staten waren - kreeg Hulst geen haven meer. De bruggen werden pas vele jaren later hersteld. Het kanaal werd opgenomen in de afwatering en het gedeelte in Axel, de huidige Kanaalkade, werd gedempt. Op de kaden werden jonge olmen aangeplant. Nog tot in de jaren zestig kon men dankzij die olmen - ondertussen tot formidabele proporties uitgegroeid - het kanaal al van verre als een lint in het landschap herkennen. Tegen de iepenziekte waren deze reuzen evenwel niet bestand en hun gelederen dunden sindsdien elk jaar verder uit. Het kanaal bleef liggen, zij het minder goed zichtbaar. Voor de afwatering heeft het maar een beperkte functie. Ondanks dat het kanaal naar onze huidige maatstaven niet veel voorstelt, bleek het een formidabele hindernis te zijn voor de geallieerde troepen die de streek aan het eind van de Tweede Wereldoorlog kwamen bevrijden. Het Poolse Kruis tussen de Eerste en Tweede Verkorting herinnert aan de vele gevallenen. Thans is het zijkanaal een mooie en gemakkelijke leidraad voor een fietstocht. De oudste stadjes in Zeeuws-Vlaanderen zijn ontstaan op zandige opduikingen in het landschap waar een waterloop passeerde. Die zandige opduikingen lagen daar niet zomaar toevallig. Ze maakten deel uit van een stelsel van lage ruggen, die naar het zuidoosten toe in hoogte opliepen. We zien dat ook nu nog in het landschap. Van de zandrug waarop Axel indertijd werd gesticht, zien we aan de oppervlakte niets meer terug. Die van Hulst is nog steeds markant aanwezig westelijk van de Linie tussen Hulst en Zandberg. Meer noordelijk duikt deze rug onder de klei en loopt onder Graauw en Het Verdronken Land van Saeftinghe door om tegen de vaargeul weer tevoorschijn te komen. Let wel, dat tevoorschijn komen gebeurt maar een paar keer per maand bij laagwater springtij. In de buurt lag indertijd ook een stadje, Saeftinghe, maar dat werd in 1334 bij een stormvloed weggevaagd. Een aanmerkelijk hogere zandrug vinden we terug bij Clinge, Sint-Jansteen en Heikant met uitlopers richting Koewacht-Roode Sluis-Overslag en Koewacht-Nieuwe Molen- Oude Molen-Hazelarenhoek-Zuiddorpe-Oudenpolder. In de buurt van Driehoefijzers niet ver van waar de Boschkreek de zandrug doorbreekt, ligt zelfs een stukje zandrug dat niet is aangetast door wegenaanleg, huizenbouw en landbouwactiviteiten. In de jaren dertig van de vorige eeuw is hierop een dennenbosje aangeplant om het te conserveren. Hier kunnen we zien dat deze zandruggen in feite niets anders zijn dan afgevlakte duinenrijen uit een ver verleden. Hulst had al vroeg een verbinding met de buitenwereld via de Saxhaven of Saxvliet. In die tijd, we spreken dan over een 900 jaar terug, zag de streek er heel anders uit dan nu. In het zuiden lag een woest zandlandschap met dichte bossen, de wilde landen. De lagere zandruggen naar het noorden toe waren overdekt met veenmoerassen en klei van vroegere wadafzettingen. Een groot deel van Zeeland bestond destijds uit een schorrenlandschap tot eilanden versneden door talloze geulen. Grote delen van die schorren waren bedijkt. We kunnen ons die Saxvliet voorstellen als een riviertje dat zijn oorsprong vond in de hogere zandgronden en die stroomafwaarts van Hulst overging in een schorrengeul. Op grote schaal zien we dit nu nog in de Schelde. Deze vindt zijn oorsprong in een bron in het noorden van Frankrijk en mondt via een estuarium (met getij) in de Noordzee uit. Die Saxhaven was een bochtig en nauw vaarwater en onderhevig aan verzanding en opslibbing. De Hulsterse haven, de economische levensader in een tijd van nauwelijks begaanbare wegen, was daardoor een zorgenkind voor de opeenvolgende stadsbesturen. Op een gegeven moment was de geul zo hoog opgeslibd dat hij nauwelijks bevaarbaar was. We kunnen dat heel mooi zien als we over de Oude Zoutdijk lopen richting Rustwat. De hoge rug aan de linkerkant is de oude Saxhaven. Een ramp bracht de oplossing. Toen in 1585 en 1586 op enkele plaatsen de dijken werden doorgestoken om een waterlinie te creëren, vonden twee doorbraakgeulen een weg tot bij Hulst: het Hellegat vanuit het noordwesten en het Spiekerboor vanuit het noordoosten. Ook dit was niet van lange duur want na verloop van tijd werden polders bedijkt en kwam de vaarweg weer in het gedrang. Met de bedijking van de Riet- en Wulfsdijkpolder in 1789 was het ver afgelopen met de vaarweg. Bij Luntershoek bouwde men een schutsluis, het Hulstersas. Vandaar kon men over de bestaande kreken van het Groot Eiland en de Oude Vaart tot bij Hulst komen. Dat gebeurde langs een trekpad met paarden waarvan tot in de jaren zeventig delen te bewandelen waren. Veel mocht het niet baten en in 1821 werd de sluis voor alle verkeer afgesloten. Na de hereniging van Zuid- en NoordNederland in 1815 werd gewerkt aan een kanaal tussen Gent en Terneuzen. Ook Axel en Hulst zagen hierin mogelijkheden om opnieuw een goede scheepvaartverbinding te krijgen en wel via een zijtak van dat kanaal. Net als Hulst was ook Axel haar directe verbinding in 1789 verloren en moest het doen met een schutsluis bij de Axelse Sassing en vandaar door de Axelse kreek. Tot de Derde Verkorting zou het trekpad langs de noordzijde komen en daarna langs de zuidzijde van het kanaal. We vinden daar nu asfaltwegen. Men was gevorderd tot voorbij de Hoge Weg (met de Platte Brug) en de verbinding met de kreken van het Groot Eiland was gemaakt, toen de Belgische opstand van 1830 roet in het eten gooide. Alle bruggen werden weggenomen en het kanaal werd een verdedigingslinie. Ondanks vele pogingen daartoe - bij voorkeur om de vier jaar als er verkiezingen voor kamers en staten waren - kreeg Hulst geen haven meer. De bruggen werden pas vele jaren later hersteld. Het kanaal werd opgenomen in de afwatering en het gedeelte in Axel, de huidige Kanaalkade, werd gedempt. Op de kaden werden jonge olmen aangeplant. Nog tot in de jaren zestig kon men dankzij die olmen - ondertussen tot formidabele proporties uitgegroeid - het kanaal al van verre als een lint in het landschap herkennen. Tegen de iepenziekte waren deze reuzen evenwel niet bestand en hun gelederen dunden sindsdien elk jaar verder uit. Het kanaal bleef liggen, zij het minder goed zichtbaar. Voor de afwatering heeft het maar een beperkte functie. Ondanks dat het kanaal naar onze huidige maatstaven niet veel voorstelt, bleek het een formidabele hindernis te zijn voor de geallieerde troepen die de streek aan het eind van de Tweede Wereldoorlog kwamen bevrijden. Het Poolse Kruis tussen de Eerste en Tweede Verkorting herinnert aan de vele gevallenen. Thans is het zijkanaal een mooie en gemakkelijke leidraad voor een fietstocht.
|
|